Een outsider voor het voetlicht

uit Dagblad de Limburger
door Caspar Cillekens

 

Marianne van der Heijden in Venlo en Maastricht

De Amsterdamse Limburgers zijn een begrip. Maar slechts een enkeling kent nog Marianne van der Heijden die met hen studeerde. Tijd voor herwaardering.

Marianne van der Heijden bleef haar leven lang een outsider in de Limburgse kunstwereld. Een sampler, die veel verschillende stijlen beoefende. Een solitaire vrouw die pas op het eind van haar leven een persoonlijke beeldtaal vond. Ze maakte toen krachtige pastels. Die hebben, zo schrijft Lies Netel in de catalogus bij de eerste grote overzichtstentoonstelling van haar werk in Museum van Bommel van Dam in Venlo, ‘het karakter van een beelddagboek met als centraal thema het snijvlak tussen leven en dood’.
Het zicht van Marianne van der Heijden werd minder. Fysiek ging het kunstenaarschap haar steeds zwaarder af. Na de dood van haar partner Bruno Borchert in 1994 werd ze steeds depressiever. In de nacht van 25 op 26 mei 1998 stapte ze uit het leven. Helemaal vergeten is ze niet, maar de naam Marianne van der Heijden zegt slechts nog een enkele kunstkenner iets.
In de door het Maastrichtse Bonnefantenmuseum in 2002 uitgegeven canon Van Cuypers tot Dibbets is wel veel aandacht voor haar generatiegenoten Ger Lataster en Jef Diederen, maar geen woord over Marianne van der Heijden die tegelijk met deze als Amsterdamse Limburgers bekend geworden beeldend kunstenaars aan de Rijksacademie in Amsterdam studeerde. Lataster en Diederen bleven na hun tijd aan de academie in Amsterdam. Marianne van der Heijden keerde terug naar Limburg. Haar kunst, zo vond de jonge Marianne, moest dienstbaar zijn aan de katholieke kerk. Dat Lataster en Diederen in Amsterdam de kerk de rug toegekeerd hadden, begreep Marianne van der Heijden, volgens Netel doortrokken van ‘innerlijke vroomheid en zuiverheid’, totaal niet.
Toen ze begin jaren vijftig terugkeerde in Limburg lag daar een wereld voor haar open. De wereld van de kerkelijke kunst. Aan opdrachten had ze geen gebrek. Kerken vroegen om glas-in-loodramen en mozaïeken. Het werken aan mozaïeken vond ze prachtig. Dan kon ze met haar handen aan de slag. Ze kapte zelf bij aardewerkfabriek Sphinx de restanten van tegels in kleine stukjes om aan materiaal te komen. Een pater jezuïet, die haar in de tweede helft van de jaren vijftig aan het werk zag toen ze het koor en de boog van de huiskapel van het jezuïetenklooster (tegenwoordig Universiteit Maastricht) van mozaïekkunst voorzag, stond versteld van haar werkkracht. 
Steentje voor steentje legde ze met haar handen aan. In het werken met mozaïek lag haar grote liefde, stelt Lies Netel.
Maar het werken voor de kerk bevredigde haar steeds minder. Ze kwam er niet toe om in dit opdrachtwerk een moderne en persoonlijke beeldtaal te ontwikkelen. Dat frustreerde haar. En omdat het doorgaans bij haar al mentaal begon te knagen als kunst haar te gemakkelijk afging, nam de spanning tussen werken in opdracht of zich geheel wijden aan vrij werk toe. Het kon eigenlijk niet uitblijven: eind jaren zestig was daar die radicale omwenteling.
Het was voor Van der Heijden een periode van verwarring en bezinning. Ze koos voor het kunstenaarsbestaan. Het irriteerde haar dat mannen wel een beroepsleven konden combineren met een gezin, maar vrouwen niet. Toen ze in 1970 in een ziekenhuis in Brunssum lag, maakte ze een combinatie van beeld en taal: ‘Ik zou zo graag een zwerver willen zijn. Maar ik heb twee dingen tegen: ik ben een vrouw en bovendien ben ik te verlegen.’ Ze ontdekte Cobra, de beweging van jonge kunstenaars die tussen 1948 en 1951 de Nederlandse en Belgische kunstwereld opschudde. De kunst van Cobra sprak haar zeer aan. De Cobrataal van Pierre Alechinsky maakte grote indruk. De beeldtaal van Cobra gebruikte ze in een reeks verwrongen vrouwenbeelden die ze in perspexplaten kraste en vervolgens afdrukte op flinterdun rijstpapier. Het waren geen vrouwen die verleidden, maar eerder juist angst aanjoegen. Kunstcriticus Ko Sarneel prees op de Limburgse radio haar moed ‘af te rekenen met haar gevestigde roem en kunst, en helemaal opnieuw te beginnen’. Marianne van der Heijden bleef zoeken. De kleurenets werd een steeds belangrijkere uitingsvorm voor haar. Ze begon een authentieke stijl te ontwikkelen. Toen de Jan van Eyck Academie in Maastricht in 1987 de manifestatie Art Paper hield, raakte ze direct in de ban van de papierkunst. Opnieuw sloeg Marianne van der Heijden een nieuwe weg in, waarin ze het spirituele, altijd al heel sterk bij haar aanwezig, kon vormgeven. Eén van haar laatste exposities was in 1995 bij galerie Dis in Maastricht. Ze toonde er haar pastels. Kunstcritucus Pieter Defesche schreef in het Limburgs Dagblad over een ‘verbazende comeback’. Drie jaar later stapte ze de dood binnen.

Marianne van der Heijden

  • Marianne van der Heijden wordt op 20 december 1922 geboren in Kerkrade.
  • Na de opleiding HNS-B in Heerlen studeert ze van 1940-1944 aan de Kunstnijverheidsschool in Maastricht.
  • Van 1945 tot 1950 studeert ze aan de Rijksacademie in Amsterdam.
  • Vanaf begin jaren vijftig werkte ze als beeldend kunstenaar in Limburg. Ze woont eerst in Kerkrade en vanaf 1955 tot haar dood op 26 mei 1998 in Maastricht.

Dubbeltentoonstelling
Collectie Marianne van der Heijden, Museum van Bommel van Dam in Venlo, vanaf morgen tot en met 20 mei.
In het bestuursgebouw van de Universiteit Maastricht staan haar mozaïeken en glas-in-loodkunst centraal, van donderdag tot en met 31 juli. 

 

 

in Nieuws | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , |

Reacties zijn gesloten.