“Als ik de geremdheid verlies ben ik tot iets in staat”

uit Observant
door Riki Janssen

Eerbetoon aan Marianne van der Heijden, een bijna vergeten Limburgse kunstenares. 

Ze studeerde en exposeerde samen met grote Limburgse kunstenaars als Ger Lataster en Pieter Defesche, maar bleef een outsider in de kunstwereld, zegt haar biografe Lies Netel, die haar in één adem noemt met de Mexicaanse kunstenares Frida Kahlo. Het oeuvre van de Kerkraadse Marianne van der Heijden past in geen enkel kunsthistorisch hokje en is relatief onbekend. Maar dat gaat nu met twee exposities, waarvan een aan de Universiteit Maastricht, een boek, een film en een promotieonderzoek veranderen.

“Ik zou graag een zwerver willen zijn, maar ik heb twee dingen tegen: ik ben een vrouw en bovendien… ik ben te verlegen.” Met die woorden van Marianne van der Heijden (1922-1998) begint een korte film die te zien is in het Museum van Bommel van Dam dat de komende maanden – net als de Universiteit Maastricht – een tentoonstelling wijdt aan deze bijna vergeten Limburgse kunstenares. Het Venloos museum, dat veel aandacht schenkt aan de eerste naoorlogse generatie beeldend kunstenaars als Jef Diederen, Pieter Defesche en Ger Lataster – ook wel de Amsterdamse Limburgers genoemd vanwege hun studie aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten aldaar – kreeg in 2009 de beschikking over Van der Heijdens nalatenschap; meer dan drieduizend werken, brieven, aantekeningen, dagboeken, papiersnippers. Ook zij studeerde aan de kunstopleidingen in Maastricht en Amsterdam en behoort tot de Amsterdamse Limburgers.

“Niemand weet veel over haar,” constateert kunsthistorica Lies Netel. Zij ploegde de afgelopen twee jaar de nalatenschap van Van der Heijden door, werkte mee aan het zojuist verschenen boek, de twee tentoonstellingen, de documentaire die L1 in april zal vertonen en hoopt in 2016 in Maastricht te promoveren op een biografie van deze “veelzijdige kunstenares”. De vrouw die opgroeide in een vroom rooms-katholiek gezin in Kerkrade, vervaardigde religieuze wandmozaïeken, glas-in-loodkunst, wandkleden, olieverfdoeken, houtsneden, etsen, pastels, papiercollages, tekeningen, figuratief en abstract. Niet te vangen in een bepaalde kunststroming. “Ze is een sampler, veel aspecten van de 20ste eeuwse kunst vind je terug in haar werk. Ze wil geen l’art pour l’art  maken, maar kunst die raakt aan het spirituele. Ze wil vertellen over vergankelijkheid, groei, geboorte, liefde, de verhouding tussen het aardse en hemelse. In haar begintijd doet ze dat via bijbelse voorstellingen, later wordt het abstracter.”

“Ze is altijd heel verscholen gebleven. Ze hield niet van aandacht, maar had het tegelijkertijd wel nodig.” Zo exposeerde ze tijdens haar studietijd al in het Vondelparkpaviljoen, en direct na haar studie in Heerlen, steeds samen met andere Amsterdamse Limburgers. Maar waar haar studiegenoten Defesche, Diederen en Lataster in Amsterdam blijven en zich ontwikkelen tot onafhankelijke expressionistische schilders wier werk uiteindelijk wordt aangekocht door het Stedelijk, keert Van der Heijden begin jaren vijftig terug naar Limburg waar ze opdrachten aanneemt om in haar levensonderhoud te voorzien.

Krui
Haar vader, leraar aan het lekeninternaat in Rolduc met een groot katholiek netwerk, blijkt een goede kruiwagen. Ze maakt grafmonumenten, glas-in-loodkunst en mozaïeken voor kerken in de regio. In 1953 tekent ze een contract om de apsis en de triomfboog van de huiskapel van het Jezuïetenklooster aan de Tongersestraat 53, de huidige aula van de School of Business and Economics, met mozaïek te bekleden. In 1962 maakte ze ook glas-in-lood ramen voor de kapel die overigens een totaal ander karakter hebben dan haar eerste werk in het voormalige klooster (de tentoonstelling die vandaag aan de UM opent, draait om deze werken). Ze krijgt vier jaar om de mozaïek af te krijgen en verdient 320 gulden per vierkante meter. Netel: “Ze gebruikte de techniek van de byzantijnse kunst op eigen wijze. Ze nam bijvoorbeeld geen marmer zoals de Byzantijnen, maar tegelafval van de Sphinxfabrieken.” Het wordt haar doorbraak, ondanks dat opdrachtgever pater Notebaert haar creativiteit dwarsboomde. Hij eiste dat de zeven Christusfiguren naast elkaar zouden worden afgebeeld, waardoor het geheel qua opbouw nogal statisch is. Een recensent van de toen nog katholieke Volkskrant is in de tweede helft van de jaren vijftig lyrisch: “Het is allemaal eenvoudig, maar zo eenvoudig als alleen het sublieme vermag te zijn. Dit eenvoudige is diep treffend, en natuurlijk religieus.”

Gecompliceerd
Doorbraak of niet, echt gelukkig werd Van der Heijden niet. In het Amsterdamse jazzcafé Casa Blanca dat ze graag bezoekt (“altijd samen met haar broer, nooit alleen, dan zou ze meteen als hoer worden bestempeld. Na zo’n avondje moest ze meteen gaan biechten”), ziet ze musici die doen wat zij zou willen. “Werkelijk die mensen hebben al mijn liefde en genegenheid. Ze halen me uit de beroerdste stemming maar als ze weg zijn zie ik mezelf met mijn stomme gecompliceerdheid. Je moest dat zien, hoe zo’n neger zit te blazen op zijn saxofoon, zich niet om de mensen bekommerend, helemaal opgaand in zijn muziek”, schrijft Van der Heijden in een brief aan een vriendin. Ook zij wil opgaan in haar kunst. “Als ik de geremdheid in mijn werk verlies ben ik tot iets in staat”, verzucht ze.

“Ze had een zwaar leven, belandde herhaaldelijk in een mentale crisis”, vertelt haar biografe Lies Netel. Ze vocht haar leven lang een innerlijke strijd uit: doe ik wat de buitenwereld van me vraagt, of volg ik mijn innerlijke stem? Kies ik voor de (vaak kerkelijke) opdrachten of voor het vrije kunstenaarschap? Ze voelt dat ze op dezelfde golflengte zit als haar mannelijke Limburgs-Amsterdamse collega’s die kiezen voor het vrije leven, maar durft hun voorbeeld niet te volgen. Netel: “Het zijn de jaren vijftig. Ze is een alleenstaande vrouw, moet brood op de plank hebben.” Ze heeft voldoende belangstelling van mannen, maar gaat niet op hun aanzoeken in. Kinderen zijn voor Van der Heijden geen optie. Ze wil immers haar leven aan de kunst wijden en dat gaat niet samen met een gezin, vindt ze. Dat mannen het wat dit betreft veel makkelijker hebben, beseft ze maar al te goed en maakt haar jaloers. Uiteindelijk krijgt ze een relatie met pater Bruno Borchert. Hun verhouding is platonisch. Ze wil het onderste uit de kan halen, maar beseft meer en meer dat het kerkelijke werk een rem op haar kunstenaarschap zet. Ze raakt teleurgesteld in de vernieuwingsdrang van paus Johannes Paulus en haalt minder inspiratie uit de kerk. Eind jaren zestig kiest ze – zonder het geloof vaarwel te zeggen – uiteindelijk voor het vrije kunstenaarschap.

De innerlijke strijd blijft. Het is een manier van leven, legt ze zelf uit: “Als ’t te goed wordt, ’t werken te gemakkelijk, dan voel ik dat de dood in zicht is. Dan moet ik weer helemaal opnieuw beginnen. Om het begin te vinden moet ik dan weer door een crisis heen.” Dat hoeft niet per se een persoonlijke crisis te zijn, het kan ook op puur beeldend vlak zijn: nieuwe vormen, kleuren, van kleurenetsen naar papiercollages tot pastelkrijttekeningen.

Vrijheid
De aandacht voor haar nieuwe werk wisselt, al is de kunstcriticus van De Limburger, Willem Coumans, in 1975 vol lof: “En als het vroegere werk van haar religieus mag heten, dan is het huidige dat niet minder, ik denk zelfs meer. Ze heeft in haar werk een vrijheid bevochten die naar pijn smaakt. Een vrijheid van leven.” Begin jaren negentig oogt ze succes met haar papiercollages en wordt ze tot de belangrijkste Maastrichtse kunstenaars gerekend. Dat geluk is van korte duur. Haar levenspartner Bruno Borchert overlijdt in 1994. Na zijn dood is Van der Heijden uit balans en depressief. “Ze maakt primitieve tekeningen die een uiterst krachtige uitstraling hebben,” aldus Netel. “Nooit eerder uitte Van der Heijden zich zo persoonlijk. Hiermee schaart ze zich bij de vrouwelijke buitenbeentjes als Frida Kahlo en Paula Modersohn-Becker.” Ze vallen buiten de canon van de kunstgeschiedenis, passen in geen enkele kunststroming of verbond, ze zijn outsiders, vindt Netel. “De kunstgeschiedenis is inmiddels meer dan een beschrijving van elkaar opvolgende stromingen en stijlen. Het oeuvre van Marianne van der Heijden geeft inzicht hoe het kunstenaarschap en de biografische lijn met elkaar verweven zijn. Het gaat in de kunstgeschiedenis niet meer alleen om kunst om de kunst, maar veel meer ook hoe een kunstenaar in het leven staat en welke invloed dat heeft op zijn werk.”

Stille wereld
Van der Heijden noemt dit persoonlijke werk Eigen collectie. Ze trad er nauwelijks mee naar buiten. Haar situatie verslechtert verder: haar gezichtsvermogen gaat achteruit, precies werken lukt niet meer. En ze maakt zich zorgen over haar nalatenschap die uiteindelijk in een stichting ondergebracht zal worden. Op haar 75ste is ze uitgeput en verlangt ze naar “de stille wereld van de dood”. In de nacht van 25 op 26 mei 1998 is het zover. Haar dagboeken hadden de dood al aangekondigd: “Ik lig in duizend stukken (…). Ik heb hulp nodig of om mij te doden, of me te leren leven.”

Twee tentoonstellingen, een boek, een documentaire en biografie
Er is dit jaar volop aandacht voor het leven en werk van de Limburgse kunstenares Marianne van der Heijden.
-Afgelopen zondag opende het Museum van Bommel van Dam in Venlo de tentoonstelling Collectie Marianne van der Heijden (van 27 januari tot en met 20 mei 2013). Tegelijkertijd werd het mooi geïllustreerde boek Collectie Marianne van der Heijden, dat inzoomt op haar leven en werk, gepresenteerd.
-Vanaf vandaag, donderdag 31 januari, is de Collectie Marianne van der Heijden Expanded in het bestuursgebouw van de Universiteit Maastricht aan de Minderbroedersberg te zien. In deze expositie gaat de aandacht uit naar het monumentale mozaïek en de glas-in-lood ramen die de kunstenares maakte in de voormalige Jezuïetenkapel, nu de aula van de School of Business and Economics. De opening is donderdag om 16.00 uur in aanwezigheid van decaan van cultuur- en maatschappijwetenschappen Rein de Wilde, drs. Lies Netel en rector Luc Soete. De expositie is te zien tot en met 31 juli 2013.
-Begin april (4 en 7 april) zal de Limburgse omroep L1 een documentaire over Van der Heijdens leven – Een zwerver willen zijn – uitzenden.
-In 2016 hoopt de kunsthistorica Lies Netel aan de UM te promoveren op een biografie over Marianne van der Heijden. Haar promotor is prof. Maaike Meijer die zelf een biografie over Vasalis schreef, een van Nederlands bekendste vrouwelijke dichters.

in Nieuws | Getagged , , , , , , , , , , , , , , , , , |

Reacties zijn gesloten.