Historie

Maarten en Reina van Bommel-van Dam, woonachtig te Amsterdam, schenken in 1969 een verzameling moderne kunst van ruim 1.100 werken aan Venlo op voorwaarde dat de gemeente de collectie in een museum onderbrengt en adequate huisvesting realiseert voor de stichters. De schenking leidt er toe dat hier in 1971 het eerste museum voor moderne kunst in de provincie Limburg wordt geopend.

Maarten & Reina van Bommel-van Dam

De oorspronkelijke in 1969 overgedragen collectie bevat kunstwerken die, hoe verscheiden ook van karakter, een ding gemeenschappelijk hebben: ze horen bij de verzamelaars. Zij waren het die kochten op tentoonstellingen, veilingen, in galeries en ateliers en die zich telkens weer op zoek naar persoonlijke ervaringen lieten veroveren door het unieke karakter van elk gekozen werk. En dat kan net zo goed een abstract doek van Kees van Bohemen zijn als een Ibo masker van Mmwobond uit Nigeria, een stilleven van de Amsterdamse Maria Vos als een houtsnede van Hokusai of een ijzerassemblage van Frans de Boer-Lichtveld. Gecollectioneerd volgens een bepaalde systematiek heeft het echtpaar Van Bommel-van Dam niet. De overdracht van de collectie in 1971 betekent dat het verzamelen vanaf dat moment wordt overgenomen door de gemeente Venlo. Toch zullen ook de Van Bommels hun verzamelactiviteiten niet stoppen en zo werd in 1984 de tot meer dan vierhonderd kunstwerken uitgegroeide privé-collectie ondergebracht in de Stichting van Bommel van Dam. Een collectie die als langdurige bruikleen wordt overgedragen aan de gemeente Venlo om te worden toegevoegd aan de schenking van 1969.

Aanvankelijk richt het aankoopbeleid zich vooral op kunstenaars uit de oercollectie. Na de opening van het museum breiden directeur Lei Alberigs en zijn opvolger Thei Voragen de in Noord-Holland opgebouwde collectie uit; zij verwerven onder meer kunstwerken uit de Cobrabeweging, de informele kunst, de Nulbeweging en de materieschilderkunst. Het lukt hen om kwalitatief sterke deelverzamelingen bijeen te brengen van o.a. Armando, Bram Bogart, Edgar Fernhout, Jan Schoonhoven en Jaap Wagemaker, die door hun volledigheid en de aanwezigheid van relatief vroeg werk voor Nederland als bijzonder te bestempelen zijn. Zij investeren bovendien in een bredere en meer representatieve vertegenwoordiging van hedendaagse beeldende kunst uit Limburg. Met name onder Voragen groeit de onderscheidende deelcollectie van naoorlogse, van oorsprong Limburgse schilders met Pieter Defesche, Jef Diederen, Ger Lataster, Lei Molin en Pierre van Soest als de bekendste vertegenwoordigers, sterk. Ook de huidige museumstaf, onder leiding van directeur Rick Vercauteren, beschouwt het uitbreiden van de verzameling als kerntaak en bouwt voort op verzamelgebieden uit de oorspronkelijke collectie. Het aankoopbeleid richt zich in hoofdzaak nog steeds op Nederlandse schilderkunst en werk op papier, met inachtneming van bestaande lijnen in de verzameling. Het over langere tijd afstemmen op sociaal-maatschappelijk geëngageerde kunstenaars, betrokken individuen met een herkenbare eigen beeldtaal en schriftuur, zorgt voor samenhang tussen collectieonderdelen. Daarbij wordt Limburg nadrukkelijk niet uit het oog verloren. In toenemende mate is er aandacht voor onderscheidende representanten van de jongere generaties en actuele ontwikkelingen in de beeldende kunst en de deelcollectie fotografie groeit gestaag. Het verzamelgebied breidt zich verder uit in de richting van Duitsland en in mindere mate België.  

Reacties zijn gesloten.